Omschrijving methode Milieuclassificaties

1    TWIN2011-MODEL


1.1    Achtergrond

Vanaf 1996 bracht het NIBE in samenwerking met VIBA en Uitgeverij WEKA het Handboek Duurzame Bouwproducten op de markt. Het Handboek Duurzame Bouwproducten bestond uit uitgebreide producent specifieke informatie (deel 1) en algemene milieu- en gezondheidsinformatie (deel 2 en 3). Medio mei 2001 heeft het NIBE besloten de delen 2 en 3 zelfstandig uit te gaan geven. In deze uitgave zouden de reeds bestaande beoordelingen alsook nieuwe opgenomen worden. Hiervoor werd eerst de volledige milieubeoordeling herzien en geactualiseerd aan de hand van de meest recente ontwikkelingen op LCA-gebied. Zo ontstond de TWIN2002-model.
In 2009 is begin gemaakt met de bouw van een geharmoniseerde milieudatabase. In samenwerking met verschillende toolbouwers is er gewerkt  aan één database die gebruikt kan worden in verschillende rekentools.
Op 14 april 2010 is Stichting Bouwkwaliteit (SBK) aangewezen als beheerder van de bepalingsmethode “Materiaalgebonden milieuprestaties van gebouwen en GWW-werken” inclusief de daaraan verbonden Nationale Milieudatabase. Bij de doorontwikkeling van het TWIN-model is in 2011 de Nationale Milieudatabase geïmplementeerd, met als resultaat het TWIN2011-model.

 

1.2    Inleiding

Voor de milieubeoordelingsmethode TWIN2011 is zoveel mogelijk aangesloten bij de laatste stand der techniek. Voor de beoordeling van het overgrote deel van de milieueffecten is gebruik gemaakt van de recent door de in de bepalingsmethode  “Materiaalgebonden milieuprestatie van gebouwen en GWW-werken” beschreven methode: de door het Centrum voor Milieukunde in Leiden (CML) herziene LCA-methodiek, kortweg CML-2 (Guinée et al.,2001). Daarnaast is er gebruik gemaakt van het oorspronkelijke TWIN-model (Haas, 1997) en de methode van Müller-Wenk (1999) voor de beoordeling van geluidshinder door wegtransport. Ten opzichte van het oorspronkelijke TWIN-model worden veel meer milieueffecten kwantitatief berekend.


1.3    Levenscyclusanalyse (LCA)

LCA kan gedefinieerd worden als de "verzameling en waardering van alle in- en uitstromen en mogelijke milieueffecten van een productsysteem gedurende zijn levenscyclus". De LCA is daardoor een stuk gereedschap voor de analyse van het milieueffect van een product gedurende alle fases van zijn levenscyclus van de winning van grondstoffen, via productie van materialen, productonderdelen en het product zelf, tot aan het gebruik van het product en de uiteindelijke verwerking na sloop door hergebruik, recycling, storten of verbranden. Deze levenscyclus wordt meestal kortweg omschreven als "van wieg tot graf".
Onder productsysteem worden alle processen verstaan die betrokken zijn bij de levenscyclus van het product. Onder milieueffect wordt verstaan alle invloeden op het milieu, inclusief de onttrekking van verschillende grondstoffen, emissies van schadelijke stoffen en verschillende manieren van landgebruik.

De LCA is, voor zover mogelijk, kwantitatief van aard. Wanneer dit niet mogelijk is kunnen - en moeten - kwalitatieve aspecten in de beoordeling meegenomen worden, zodat een zo volledig mogelijk beeld wordt gegeven van alle veroorzaakte milieueffecten.
 

1.4    Een LCA bestaat uit de volgende stappen:

1.    Doelbepaling
Het vastleggen van onderwerp en diepgang van de studie, de centrale doelstelling en onderzoeksvragen, functionele eenheid of vergelijkingsbasis, te beoordelen productvarianten, afbakening studie en systeemgrenzen.

2.    Inventarisatie van de milieugegevens
Instromen zoals energie en grondstoffen, uitstromen zoals emissies, toerekening in-/uitstromen aan producten, ingreeptabel met alle instromen en uitstromen in de levenscyclus.

3.    Beoordeling van effecten
Selectie van milieueffecten, toewijzing van de emissies aan milieueffecten (classificatie), bepaling scores of milieueffecten (karakterisatie), normalisatie van de scores en eventuele weging van de milieueffecten.

4.    Interpretatie
Analyse van de milieueffecten en de bepalende factoren, gevoeligheidsanalyses ter bepaling van invloed van aannames en uitgangspunten.

 

1.5    Beoordeling van milieueffecten

De keuzes die zijn gemaakt bij de selectie en beoordeling van milieueffecten (onderdeel van stap 3 van de LCA) zijn bepalend voor de vormgeving van de resultaten met het TWIN2011-model. Alle van belang zijnde stappen worden hieronder toegelicht.

1.6    Karakterisatie

In de karakterisatiestap van de LCA wordt de bijdrage aan de milieueffecten berekend. In onderstaande tabel is aangegeven welke milieueffecten zijn beoordeeld en uit welke methode de karakterisatiefactoren zijn gebruikt.

1.7    Milieueffectcategorieën   


Emissies
Voor de karakterisatiefactoren is er gebruik gemaakt van de CML-2 gegevens, bijgewerkt met de laatste wijzigingen (www.leidenuniv.nl/cml/cml2/index.htm).
Bij de beoordeling van de emissies is het CML2-baseline milieueffect aquatische ecotoxiciteit voor zeewater buiten beschouwing gelaten, omdat het milieueffect volledig werd gedomineerd door de emissie van waterstoffluoride (HF) in de beschikbare procesgegevens.

Uitputting grondstoffen
Voor de beoordeling van uitputting van grondstoffen is gebruik gemaakt van de deels kwalitatieve methode uit het TWIN-model. De beschikbare methodes waar in de CML2 handleiding naar wordt gerefereerd, maken gebruik van mondiale ultieme voorraden of hebben alleen betrekking op uitputting van mineralen in de zin van metaalertsen en fossiele brandstoffen. De uitputting van bulkgrondstoffen zoals zand en grind die juist in de bouw een rol speelt, komt in deze beschikbare methodes niet aan de orde, waardoor uitputting van grondstoffen in deze LCA buiten beschouwing zou blijven.
Mede gezien de discussies die er in ons land zijn over de winning van oppervlaktedelfstoffen zoals zand, grind en kalksteen (mergel) op de korte en middellange termijn, werd het door ons als NIBE niet terecht gevonden om bij de beoordeling van bouwproducten voorbij te gaan aan de uitputting van bulkgrondstoffen. Ondanks de beschikbaarheid van een goede kwantitatieve methode is er daarom voor gekozen om gebruik te maken van de deels kwalitatieve methode uit het TWIN-model.
Een bijkomend voordeel is dat het milieueffect uitputting van biotische grondstoffen hierdoor op vergelijkbare wijze beoordeeld wordt. Uitputting van biotische grondstoffen kan in de bouw een grote rol spelen, indien bijvoorbeeld niet duurzaam geproduceerd tropisch hout wordt gebruikt. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de huidige voorraad en de afname daarvan.

Landgebruik
Bij landgebruik wordt zowel het bezet houden van land als de omzetting van land van het ene naar het andere landschapstype meegenomen. In de bouw speelt dit een belangrijke rol bij de winning van grondstoffen.
In de CML2 handleiding wordt voor landgebruik een viertal milieueffecten genoemd die hierop van invloed zijn. Het gaat om het bezet houden van land, verlies van biodiversiteit, verlies van ondersteunende levensfuncties en verdroging. Op basis van deze criteria en de beschikbare data was het helaas niet mogelijk om duidelijke scores voor landgebruik in de LCA op te nemen.
In de Eco-indicator '99 is een methode uitgewerkt waarin de effecten van landgebruik worden uitgedrukt als schade aan het ecosysteem. Zowel de omzetting van land, het bezet houden van land als ook de hersteltijd voor terugkeer naar de oorspronkelijke situatie zijn hierin meegenomen. Bij de omzetting van land wordt rekening gehouden met het verlies van biodiversiteit op basis van het voorkomen van (hogere vaat-) plantensoorten. Voor de hersteltijden wordt in de Eco-indicator '99 gerekend met een algemene (standaard-) periode van 30 jaar. Door het NIBE zijn voor de verschillende grondstoffen hersteltijden bepaald die typerend zijn voor de landschapssituatie waarin de grondstof wordt gewonnen.

Hinder
Bij de productie van verschillende bouwproducten kan in verschillende fases hinder optreden. Bij hinder wordt er door het NIBE onderscheid gemaakt tussen hinder door stank, licht, geluid en kans op calamiteiten.
Voor stankhinder is gebruik gemaakt van de CML2 baseline methode. Voor geluidshinder is er ook een baseline methode beschikbaar, maar door een gebrek aan gegevens in de gebruikte processen is deze methode niet bruikbaar. Voor geluidshinder bij winning van grondstoffen en productie van materialen is daarom gebruik gemaakt van de kwalitatieve methode uit het TWIN-model. Geluidshinder veroorzaakt door wegverkeer is gekwantificeerd met behulp van de methode die Müller-Wenk (1999) hiervoor heeft opgesteld.
Hinder ten gevolge van licht en kans op calamiteiten is beoordeeld op basis van de kwalitatieve methode uit het TWIN-model.

1.8    Normalisatie

Na de karakterisatie worden normaliter de milieueffecten genormaliseerd ten opzichte van een referentieniveau. Dit betekent dat de bijdrage van de verschillende milieueffecten gedeeld wordt door de bijdrage van een bepaalde gemeenschap aan het betreffende milieueffect. Door de resultaten te normaliseren wordt inzicht verkregen aan welke milieueffecten relatief een grote bijdrage wordt geleverd binnen de gekozen gemeenschap.
Doordat er bij de weging van de verschillende milieueffecten gebruik gemaakt wordt van monetarisering, is het niet nodig om de gekarakteriseerde milieueffecten te normaliseren.

1.9    Weging

Een logische vraag uit de resultaten van een LCA is, of een score voor landgebruik of uitputting van grondstoffen meer of minder belangrijk is dan de score voor broeikaseffect. Een overzicht van alle gekarakteriseerde scores per milieueffect (vaak aangeduid als milieuprofiel) is op zich interessant. Voor een deskundige is dit overzicht nog uit te leggen en kunnen nuanceringen aangebracht worden.
Voor de meeste mensen ontbreekt het door de veelheid aan scores echter aan duidelijkheid (wat is nu milieuvriendelijker). Voor een vereenvoudiging van het aantal scores is weging noodzakelijk. Weging is echter het minst gestandaardiseerde onderdeel van een LCA. Het gaat hierbij namelijk om de weging van ingrepen die een ongelijksoortig milieueffect veroorzaken. Weging van milieueffecten roept daarom nogal eens weerstand op. Het subjectieve karakter ervan wordt dan gebruikt als argument tegen iedere vorm van weging. Er vindt echter bijna altijd een weging plaats. Weging zonder weegfactoren is een weging met alle weegfactoren gelijk aan 1.
    
Er bestaan een aantal methodieken voor weging, zoals de panelmethode, distance-to-target en monetarisering of milieukosten. De eerste twee worden hieronder kort toegelicht. In het de TWIN2011-model wordt gebruik gemaakt van monetarisering. Monetariseren is het uitdrukken van de verschillende milieueffecten in verborgen milieukosten of schaduwkosten.
    
In de panelmethode vraagt men een groep betrokkenen, op basis van hun inzichten, per milieueffect een weegfactor aan te geven. De betrokkenen kunnen in- of externe deskundigen zijn of vertegenwoordigers van maatschappelijke groeperingen. De panelmethode levert relatief eenvoudig een set weegfactoren. Het resultaat is sterk bepaald door de samenstelling van het panel en daardoor zeer betrekkelijk.
Bij de distance-to-target methode krijgt elk milieuthema een weegfactor die afhangt van de mate waarin het huidige emissieniveau het nagestreefde emissieniveau (doelniveau) overschrijdt. Naarmate het quotiënt tussen het huidige niveau en het te bereiken doel groter is, is ook de weegfactor groter. De weging hangt dus af van het gewenste (politieke) doel. Er wordt geen rekening gehouden met het daadwerkelijke actuele belang van het huidige emissieniveau.   

1.10     Schaduwkosten

In de schaduwkostenmethode worden de in equivalenten uitgedrukte milieueffecten vermenigvuldigd met monetariserings- of schaduwkostengetallen per milieueffect. Door het optellen van alle schaduwkosten ontstaat een totaal milieukostenplaatje, een gewogen score in één getal.
Voor monetariserings- of schaduwkostengetallen worden soms ook de termen schaduwprijzen of preventiekosten gebruikt. Milieukosten zijn altijd economische waarden.
    
De schaduwprijs van een emissie wordt bepaald door de kosten van de laatste nog net noodzakelijke maatregel om een emissiedoelstelling te halen, de zogeheten marginale kosten. Deze schaduwprijs weerspiegelt de kosten die de maatschappij er voor over heeft het betreffende milieudoel te bewerkstelligen.
Preventiekosten zijn kosten van preventieve maatregelen waarmee een bepaalde milieubelasting kan worden voorkomen. Bij 'preventiekosten tot duurzaamheid' gaat het om de kosten van preventieve maatregelen, die getroffen zouden moeten worden om de huidige emissies verder terug te dringen tot aan een duurzaam niveau. Het zijn (theoretische/hypothetische) kosten van maatregelen, die nog zouden moeten worden uitgevoerd. Deze kosten geven een beeld van wat de maatschappij bereid zou moeten zijn te betalen voor het terugdringen van de milieubelasting tot een duurzaam niveau (preventie tot duurzaamheid).
 


Overzicht gehanteerde schaduwkosten per milieueffect

 

1.11     Uitgangspunten en gebruikte gegevens
 

Afbakening systeemgrenzen
Bij elk onderzoek is het van belang om aan te geven wat wel en niet of tot welk detail in de beschouwing is meegenomen.

Van de beoordeelde bouwproducten worden de volgende zaken meegenomen:
•    winning en transport van grondstoffen;
•    productie en transport van materialen en halffabricaten;
•    verwerking van productieafval;
•    transport naar de bouwplaats (standaard 50 km);
•    verliezen op de bouwplaats;
•    verwerking van bouwafval;
•    emissies/uitlogingen gedurende de gebruiksfase;
•    onderhoud en vervangingen van het product;
•    sloop van het product uit een gebouw;
•    transport naar de stort, recyclings- of verbrandingsinstallatie;
•    verwerking in de afvalfase;
•    productie en afdanking van kapitaalgoederen.

Niet meegenomen worden:
•    productie van hulpstoffen met massapercentage kleiner dan 1%;
•    transport van werknemers en materieel;
•    menselijke arbeid;
•    onderhoud in de zin van schoonmaken/reinigen.
•    Werkzaamheden op de bouw

1.12     Allocatie

In een LCA moeten alle milieueffecten worden toegerekend aan een product(systeem). Toerekening of allocatie houdt in dat de milieubelasting van een aantal productieprocessen wordt verdeeld over twee of meerdere productsystemen. Hiervan is sprake in vier gevallen:
1.    bij productie van meerdere producten binnen hetzelfde productieproces (multi-output);
2.    bij verwerking van meerdere producten binnen hetzelfde productieproces (multi-input);
3.    bij gebruik van secundaire grondstoffen;
4.    bij hergebruik van materiaal.
In de twee laatste gevallen is er sprake van allocatie op de grens van een productsysteem. In alle vier de gevallen moet de milieubelasting verdeeld worden over meerdere producten.
    
Bij productie van meerdere producten binnen hetzelfde productieproces is de milieubelasting verdeeld op basis van de massa van de geproduceerde producten.
Ook bij de meeste verwerkingsprocessen is de milieubelasting verdeeld op basis van de massa van de verwerkte producten. Alleen bij de verschillende verbrandingsprocessen is rekening gehouden met de fysische samenstelling van de verbrande producten. Hierbij is op basis van de samenstelling van de materialen berekend wat het energie- en grondstoffenverbruik en de vrijkomende emissies van het betreffende materiaal zijn. Er is daarbij uitgegaan van een gemiddelde Nederlandse afvalverbrandingsinstallatie.
Bij het gebruik van secundaire grondstoffen vindt de allocatie plaats door open-loop recycling (recycling waarbij materiaal uit het ene productsysteem wordt gebruikt in het andere productsysteem). Dit in tegenstelling tot de closed-loop recycling (recycling binnen het productsysteem) benadering.

1.13     Milieugegevens

Voor de achtergrondgegevens zoals energieopwekking, transport en afvalverwerking (storten en verbranden) is op eenzelfde manier te werk gegaan zoals in de Nationale Milieudatabase is gedaan. De onderstaande tekst is afkomstig uit het bij de Nationale Milieudatabase behorende bepalingsmethode “Materiaalgebonden milieuprestaties van gebouwen en GWW-werken”.
 

 

 

1.3          Levenscyclusinventarisatie (NEN 8006: § 5.3)

De levenscyclusinventarisatie omvat het verzamelen van gegevens en de berekeningsprocedures om de relevante milieu-ingrepen (ingaande en uitgaande milieustromen) van een productsysteem te kwantificeren.

1.3.1    Dataverzameling

Er moeten milieu-ingrepen van de processen uit het productsysteem worden verzameld binnen de volgende datacategorieën:
a)    grondstoffen;
b)    emissies naar lucht, water en bodem.

Onder grondstoffen worden de ruwe grondstoffen verstaan zoals die aan de aarde worden onttrokken. Daaronder vallen bijvoorbeeld vernieuwbare en niet-vernieuwbare grondstoffen en grond- en oppervlaktewater. […]

Van elke ingreep moet de naam, de eenheid en de hoeveelheid worden benoemd.
De naamgeving moet dusdanig zijn dat er zo min mogelijk misverstand over kan bestaan. De naam moet aangeven wat daadwerkelijk is gemeten. Indien beschikbaar moet een indexnaam uit het CAS-registratiesysteem worden gebruikt, tenzij deze naam niet overeenkomt met de naamgeving in de lijst met milieu-ingrepen uit bijlage E van de NEN 8006. De kortste CAS-naam moet worden gekozen. Voor de regels voor de naamgeving wordt verwezen naar de NEN 8006 (paragraaf 5.3.3).

Een pragmatische aanpak is om SimaPro hierin leidend te laten zijn, omdat elke LCA uitvoerder in Nederland dit programma gebruikt. Daarnaast verzorgt leverancier PRé regelmatig updates, die zonodig ook de nomenclatuur van zowel procesingrepen als karakterisatiefactoren aanpakt waarmee een goede koppeling het best wordt gewaarborgd. In de database wordt exact aangegeven om welke (sub)versie van de nomenclature het gaat. Een beheerraad van de database beslist over het al dan niet doorvoeren van een update in nomenclatuur.

1.3.2    Gegevensbronnen (NEN 8006: § 5.3.4)

Forfaitaire waarden (NEN 8006: § 5.3.4.3)
Er wordt geen gebruik gemaakt van de oorspronkelijke processen zoals opgenomen in bijlage C van de NEN 8006, omdat deze ETH3 processen zijn verouderd.

In plaats daarvan worden overeenkomstige Ecoinvent 2.0 (opvolger ETH3) processen gebruikt:
•    Diesel, low-sulphur, at regional storage/RER U
Dit proces beschrijft dieselproductie uit de grondstoffen, niet de verbranding ervan.
•    Natural gas, high pressure, at consumer/NL U
Dit proces beschrijft gaswinning en  productie, niet de verbranding ervan.
Het is een 5% onderschatting omdat de meeste bedrijven ‘low-pressure’ zullen afnemen. Dat proces wordt door Ecoinvent voor de NL situatie niet aangeboden; het zou geconstrueerd kunnen worden op basis van ‘Natural gas, low pressure, at consumer/CH U’ met bovenstaand NL proces als input (in plaats van CH proces).
•    Electricity, low voltage, at grid/NL U
Dit proces beschrijft elektrisch energiegebruik (230-400 V) inclusief productie uit de grondstoffen en distributie (net- en transformatieverliezen).
•    Heat, natural gas, at industrial furnace low-NOx >100kW/RER U
Dit proces beschrijft gasopgewekt thermisch energiegebruik, inclusief productie uit de grondstoffen.
•    Transport, lorry >16t, fleet average/RER U
Dit proces beschrijft transport van 1 ton lading per vrachtwagen met een laadvermogen van meer dan 16 ton over 1 km (enkele reis), inclusief dieselproductie en –gebruik.
•    Transport, barge/RER U
Dit proces beschrijft transport van 1 ton lading per binnenvaartschip over 1 km, inclusief brandstofproductie en –gebruik.
•    Transport, transoceanic freight ship/OCE U
Dit proces beschrijft transport van 1 ton lading per zeeschip over 1 km, inclusief brandstofproductie en –gebruik.
•    Voor andere, hier niet genoemde, achtergrondprocessen zal door een LCA-uitvoerder een meest passende keuze worden gemaakt uit Ecoinvent 2.0 processen.

Op basis hiervan worden de milieuprofielen in SimaPro berekend tegelijk met de berekening van de overige milieuprofielen. Dit voorkomt verschillen door bijvoorbeeld tussentijds aangepaste karakterisatiefactoren.

Daarnaast zullen ook forfaitaire waarden voor andere veelvoorkomende achtergrondprocessen, zoals afvalverwerking van diverse stromen, opgesteld worden. 

1.3.3    Berekeningsprocedures (NEN 8006: § 5.3.6)

Initiële productie en vervangingen (NEN 8006: § 5.3.6.1)
Voor elk bouwmateriaal, bouwproduct of bouwelement in de toepassing moet worden bekeken of vervangingen noodzakelijk zijn gedurende de functieduur van de functionele eenheid. Dat is het geval wanneer de empirische levensduur van het materiaal, product of element voor de gegeven situatie korter is dan de functieduur uit de functionele eenheid. Het aantal vervangingen wordt berekend door de functieduur te delen door de empirische levensduur minus één (de initiële productie). Het aantal vervangingen kan daarbij nooit kleiner dan 0 zijn en wordt uitgedrukt in minimaal 2 cijfers significant. Voor de initiële productie wordt altijd uitgegaan van een hele productie; deze kan nooit kleiner zijn dan 1, ook al is de levensduur van het product groter dan de functieduur.
Voorbeeld 1: Bij een functieduur van 75 jaar en een empirische levensduur van 25 jaar, bedraagt het aantal vervangingen 2, namelijk: 75/25 – 1 = 2,00.
Voorbeeld 2: Bij een functieduur van 75 jaar en een empirische levensduur van 20 jaar, bedraagt het aantal vervangingen 2,75, namelijk: 75/20 – 1 = 2,75.

Bestaande bouw
Renovatie kent dezelfde kenmerken als de bouw. Een oude cyclus wordt afgebroken (zoals boven met breuk). De renovatie start met de inbreng van 1x het product (geen breuk), daaropvolgende vervangingen (gelijke materialen en cycli) volgen weer via een breuk (gedachte in praktijk wordt vervanging of onderhoud component afgestemd op sloop gebouw).

Uitgangspunt is dat een gebouw of bouwwerk een materiaalgebonden milieubelasting veroorzaakt, die gedurende de gebouw- of bouwwerklevensduur afgeschreven moet worden. Op basis van de theoretische levensduur wordt een vaste jaarlijkse afschrijving vastgesteld. Wordt nu voor het verstrijken van de theoretische levensduur een ingreep gepleegd, dan zal een deel van die belasting nog niet zijn afgeschreven, er is nog een restschuld. Deze restschuld moet over de restlevensduur van het gebouw afgeschreven worden. Dit is ongunstig voor bij de ingreep gesloopte bouwdelen, omdat er geen prestatie tegenover staat. In plaats daarvan worden nieuwe materialen ingezet, waarvan de belasting ook over de restlevensduur afgeschreven moet worden.
Interessant is dat de restlevensduur door de ingreep meestal wordt verlengd. Dit betekent dat de restschuld over een langere periode afgeschreven mag worden, wat de jaarlijkse afschrijving dus juist weer lager maakt. Wel komt daar de extra belasting door de nieuw toegevoegde materialen bij. Ook deze belasting wordt over de restlevensduur afgeschreven. De levensduurverlenging is ook gunstig voor de gebouw- of bouwwerkdelen die gehandhaafd blijven en waarvan de vervanging- en onderhoudscyclus zonder harde knip blijft doorlopen. Voor het gehandhaafde casco of GWW-werk, waarbij niet of nauwelijks sprake is van vervanging en onderhoud, betekent levensduurverlenging pure winst.

Verlies in de vorm van bouwafval
Bij de aanvoer, opslag en het bouwen zelf zal een deel van de materialen verloren gaan. Deze verspilling heeft een relevante invloed op de materiaalstromen. Het verlies is sterk afhankelijk van de toepassing, de bouwplaats en de zorgvuldigheid van handelen. In deze Bepalingsmethode worden voor het vrijkomen van bouwafval een aantal forfaitaire rekenregels gehanteerd. Indien afwijking van deze forfaitaire waarden gewenst is, kan dat mits dit eenduidig onderbouwd wordt. De forfaitaire waarden worden gebruikt voor de ijking.

prefab producten
Prefab producten worden seriematig en onder gecontroleerde omstandigheden gefabriceerd. Afval wordt vaak direct weer in het proces ingevoerd. Aangenomen is dat 5% van de materialen verloren gaat (op de bouwplaats of tijdens transport).

in-situ producten
Op de bouwplaats moeten de producten op maat gemaakt worden (vb metselstenen). Hierbij ontstaat doorgaans meer afval. Bovendien gaat een deel van de materialen verloren door beschadiging of weersinvloeden. Aangenomen is dat 10% van de materialen verloren gaat.

hulp- en afwerkingsmaterialen
Bij hulp- en afwerkingsmaterialen, zoals kitten, lijmen en verven, blijven vaak restanten over, die na verloop van tijd onbruikbaar zijn. Ook blijft veel materiaal achter in de verpakkingen of op de applicatiemiddelen. Aangenomen is dat 15% van de materialen verloren gaat.

Energieopwekking (NEN 8006: § 5.3.6.2)
De berekening van de energiestroom moet naast de ingaande en uitgaande stromen die te maken hebben met de opwekking en het gebruik van de energiestroom, ook rekening houden met de verschillende gebruikte brandstoffen en elektriciteitsbronnen, de winning en transport van de brandstoffen, met het rendement van de omzetting en de distributie van de energiestroom.
Er moet worden gerekend met de calorische onderwaarde (‘lower heating value’, LHV).

 

 

2    CLASSIFICATIE

2.1    Indeling in classificaties


Het TWIN-model onderscheidt zeven milieuklassen. Binnen elke klasse wordt onderscheid gemaakt tussen een eerste voorkeur (a), tweede voorkeur (b) en derde voorkeur (c). De klassenindeling is met behulp van experimenteel onderzoek vastgesteld. 

Het vanuit milieu-oogpunt beste product krijgt altijd milieuklasse 1a, er is immers altijd een beste product. Om de milieuklasse van andere producten binnen dezelfde productgroep te bepalen, worden aan de hand van de milieukosten de andere producten geclassificeerd en aan de referentie (product met milieuklasse 1a) gerelateerd. Wanneer de milieukosten van het product met klasse 1a € 0,50 zijn en de milieukosten van een ander product € 2,00, dan is de milieubelastingsfactor van dat product 4, omdat de milieukosten vier keer zo hoog is als de referentie. Bekijken we deze milieubelastingsfactor in de onderstaande tabel waarmee de milieuklassen bepaald worden, dan zou dat product de milieuklasse 3b hebben. Op deze manier kan voor alle producten een milieuklasse bepaald worden aan de hand van de milieukosten. De overige producten worden ten opzichte van het beste alternatief geclassificeerd door middel van een milieubelasting factor.

 




Tip: Leg uw milieuambitie vast aan de hand van de NIBE - milieuklasse. Dit biedt de ontwerper vrijheid in materiaalgebruik. Het NIBE acht bouwmaterialen tot en met milieuklasse 3c als aanvaardbare productkeuze.